Android

(Deel II) Elsa werd samen met haar baby opgenomen: ‘Mijn twee oudste kinderen was ik al ‘kwijt’, ik kon haar niet ook verliezen’

Beeld: Bergit Eggels

Elsa is vijfentwintig weken zwanger als haar hoofd het van het één op het andere moment ‘niet meer doet’. Zorgen lukt niet, haar man en kinderen (dan 2 en 4) verdraagt ze niet meer. Eenmaal bevallen wordt ze met haar baby opgenomen op de moeder-baby unit. 

Lees hier het eerste deel over de zwangerschap en bevalling van Elsa.

“De kliniek was net als alle andere klinieken. Klinisch, kaal. Ik had er als maatschappelijk werker genoeg vanbinnen gezien. Maar nu was ik de patiënt en moest ik me overgeven aan het personeel. Het afscheid van mijn man en oudste kinderen was verschrikkelijk. Ik dacht werkelijk: dit is de laatste keer dat ik jullie zie. Mijn man kon zich bijna niet omdraaien. Zo moeilijk vond hij het om mij, maar natuurlijk ook om zijn pasgeboren dochter achter te laten. Toen de deuren in het slot vielen, het was een gesloten afdeling, kwamen de tranen. Ik kon maar niet stoppen met huilen.”

‘Ik hoor hier niet’

“In de huiskamer, daar waar ze het een soort van gezellig maakten, zaten de andere moeders met hun baby’tjes. Net zo verdrietig en niet zichzelf te zijn. Al zag ik dat toen niet. Ik dacht vooral: ik hoor hier niet. Wat was er toch van mij geworden? Ik was altijd zelfverzekerd, altijd vrolijk, had nooit eerder een psycholoog gezien… Keek ik nu in de spiegel, zag ik een timide, kwetsbare vrouw.” Eén van die moeders ziet Elsa’s tranen en heeft haar een dikke, hele dikke, knuffel. “Ik kende haar niet, maar die knuffel deed me zó goed. ‘Niemand wil hier zijn’, zei ze, ‘maar we zitten allemaal in hetzelfde schuitje.’”

“‘Niemand wil hier zijn’, zei ze, ‘maar we zitten allemaal in hetzelfde schuitje’

Hel

Elsa krijgt de diagnose depressie met angst en paniek. “Ik wist wel dat ik ver heen was, maar depressief? Zo zag ik mezelf niet. Dan wil je toch dood? dacht ik. En ik wilde juist leven, genieten. Ik kon het alleen niet.” Haar kamer is kaal: er staat een bed, een kast en er is een douche. Anders dan thuis is er geen plek voor haar dochter; zij ligt met de andere baby’s op een slaapzaal. Lastig, vindt Elsa.“Ik wilde haar zo dicht mogelijk bij me houden. Voor mijn gevoel was ik al twee kinderen kwijt; ze konden me Iza Mae niet ook afnemen. Ik waakte als een leeuwin over haar; niemand mocht haar verschonen of aanraken. Dat moest soms wel, als ik naar therapie was. Heel moeilijk. Ik kon en wilde het allemaal zelf doen. Zo werd meteen gezien dat het met de hechting wel goed zat. Ik kon haar niet ook verliezen.” Die eerste nachten in de kliniek beschrijft Elsa als zeer heftig. 

Paradijs

Tweeënhalve maand blijft Elsa in de kliniek. Acht uur op, ontbijt, therapie, lunch, therapie, sport, avondeten. De routine doet haar goed, ze komt steeds dichter bij haar gevoel en weer zichzelf te staan. Ze mag steeds langer naar huis: van alleen in het weekend naar vaker per week. De vrouwen uit de huiskamer veranderen in lotgenoten, vriendinnen zelfs. “Het klinkt misschien gek, maar de afdeling werd het paradijs in de hel. Een veilige haven waar alles mocht zijn – de onzekerheid, de angst, maar ook steeds vaker momenten van blijdschap. Aan zelfspot geen gebrek: we lachten steeds vaker tussen alle onweersbuien door. Toen ik werd ontslagen, vond ik dát spannend. Wat als het niet lukt thuis? Ik wilde blijven, dat werkt zo – schijnbaar.”

Lees binnenkort deel III.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *